Onroerende verhuur of recht om beroepswerkzaamheid uit te oefenen?
Het verschil tussen een onroerende verhuur is dat die in principe vrijgesteld is van btw, terwijl het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen niet is vrijgesteld.
-
Uw studerend kind als jobstudent of student zelfstandige in de eigen vennootschap?
Uw studerend kind wil in de weekends en/of de vakanties werken om een eigen inkomen te verkrijgen, en zou eigenlijk wel nuttig werk kunnen verrichten voor uw onderneming. Er zijn dan twee mogelijkheden: doet hij dat dan het beste als jobstudent of als student-zelfstandige?
-
Wanneer uw aangifte personenbelasting inkomstenjaar 2025/aanslagjaar 2026 indienen?
Wie zijn aangifte personenbelasting over inkomstenjaar 2025 online via MyMinfin (Tax-on-web) indient, krijgt daarvoor tijd tot en met 15 juli 2026, ongeacht of u die zelf indient of via een mandataris. Tax-on-web zal eind april 2026 openen.
-
Btw recupereren op de aankoop van een auto via uw vennootschap in 2026
Wil u in 2026 met uw vennootschap een nieuwe auto aankopen, dan weet u wellicht dat de autokosten in de vennootschapsbelasting enkel nog aftrekbaar zijn als u een volledig emissieloze wagen aankoopt, zoals een 100% elektrische auto. Maar geldt dat ook voor de btw?
Het gevolg daarvan is dat bij een onroerende verhuur de verhuurder weliswaar geen btw moet rekenen, maar dat de verhuurder dan in principe geen btw op de investeringen en lopende kosten in verband met het onroerend goed kan recupereren. Bij het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen is dat wel mogelijk vermits dat immers aan (21%) btw onderworpen is.
Bij een onroerende verhuur is het essentiƫle voorwerp de louter passieve terbeschikkingstelling van een onroerend goed. De huurder krijgt dan het recht om het goed te gebruiken alsof hij zelf de eigenaar is. Er is m.a.w. een exclusief genot. Bij een contract dat het recht verleent om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, bestaat het essentiƫle voorwerp niet in de passieve terbeschikkingstelling van een onroerend goed, maar wel in het verlenen van het recht zelf aan iemand om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Er is in dat geval dus geen exclusief genot.
Klassiek voorbeeld zijn de kraampjes in het station waarbij zij het recht verkrijgen om drank, snacks, enz. te verkopen. De verkoper heeft dan duidelijk ook geen exclusief recht op die ruimte vermits hij die alleen mag gebruiken om zijn producten te verkopen.