Grondwettelijk Hof veroordeelt dubbele erfbelasting op goederen
Erfgenamen betalen in principe geen Belgische erfbelasting betalen op buitenlandse onroerende goederen.
-
Bedrijfsvoorheffing (BV)
-
Sinds 1 maart 2026 hogere forfaitaire nachtvergoeding van € 162,35
Als u als bedrijfsleider in België moet overnachten voor uw werk, kan uw vennootschap kiezen: ofwel betaalt ze rechtstreeks de hotelfactuur, ofwel geeft ze u een vaste nachtvergoeding.
-
Btw-ketting: vanaf 1 mei 2026 treden nieuwe maatregelen in werking.
Er wordt al een tijdje gewerkt aan een grondige vernieuwing van de zogenaamde btw-ketting. Kort gezegd: hoe uw btw aangiften worden verwerkt, hoe u btw betaalt en hoe u een btw tegoed terugkrijgt. Een deel van die hervorming is al gestart en op 1 mei 2026 zullen verscheidene nieuwe btw-maatregelen in werking treden.
Erfgenamen betalen in principe geen Belgische erfbelasting op buitenlandse onroerende goederen. De erfbelasting die betrekking heeft op de buitenlandse onroerende goederen, kan meer bepaald verminderd worden met de buitenlandse erfbelasting op deze goederen. Het is dan wel vereist dat de erfbelasting ook daadwerkelijk in het buitenland is betaald. De erfgenamen moeten dit bewijzen aan de hand van een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs, een afschrift van de buitenlandse aangifte en een berekening van de buitenlandse belasting.
Voor roerende goederen, zoals aandelen was er echter geen regeling voorzien met alle gevolgen van dien. Het Grondwettelijk Hof heeft die ongelijkheid in behandeling tussen roerende en onroerende goederen in een arrest van 3 juni 2021 veroordeeld. Onderscheid maken in belastbaarheid tussen buitenlandse onroerende en roerende goederen is ongrondwettig. Het Grondwettelijk Hof heeft bijgevolg de betreffende bepaling van het federale Wetboek van successierechten (art. 17 W.Succ) ongrondwettig verklaard. Voor Vlaanderen is echter sinds 1 januari 2015 de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF), met eigen regels, van kracht. Het arrest heeft echter ook belang voor Vlaanderen, aangezien er eenzelfde letterlijke bepaling in de VCF (art. 2.7.3.2.1 VCF) is opgenomen. Het is nu aan de verschillende wetgevers om deze ongelijkheid op te heffen.