Winst toegewezen aan een liquidatiereserve
Om de correcte beslissingen te nemen tijdens en bij de afsluiting van boekjaar 2025, moeten drie vragen gesteld worden: 1. Vanaf welke tijdstip kunnen – eerder aangelegde – liquidatiereserves fiscaal voordelig uitgekeerd worden? 2. Vormt het een opportuniteit om liquidatiereserves vervroegd uit te keren? 3. Vormt het een opportuniteit om liquidatiereserves aan te leggen voor boekjaar 2025?
-
Koopt u een nieuwe auto beter nog in 2026 dan in 2027?
Stel u wil een nieuwe auto aankopen of leasen voor uw onderneming (eenmanszaak of vennootschap). Kan u dit dan beter nog in 2026 doen of kan u fiscaal gezien evengoed wachten tot in 2027?
-
Wanneer heeft uw vennootschap recht op investeringsaftrek voor boekjaar 2026?
Doet uw kleine vennootschap een nieuwe investering, dan kan zij daarvoor onder bepaalde voorwaarden genieten van de investeringsaftrek. Wanneer moet die investering precies gebeuren om nog recht te hebben op de investeringsaftrek voor boekjaar 2026?
-
Huurbijlage 270 MLH wordt afgeschaft
De verplichting om de bijlage 270 MLH in te dienen wanneer u een onroerend goed huurt voor uw zaak of via uw vennootschap, wordt afgeschaft. Vandaag geldt deze informatieplicht zowel voor zelfstandigen als voor vennootschappen.
1. Uitkering van eerder opgebouwde reserves
1.1. Welke liquidatiereserves zijn nu fiscaal voordelig als een dividend uit te keren?
Algemeen. Het is ook mogelijk om de liquidatiereserves voorafgaand aan de vereffening van de vennootschap uit te keren in de vorm van een gewoon dividend. Ook in zo’n geval kunt u als aandeelhouder een fiscaal voordeel genieten.
Groter voordeel na wachtperiode. Het fiscaal voordeel is groter als er een ruim tijdsbestek verstrijkt tussen (1) de afsluitingsdatum van het belastbaar tijdperk waarin de liquidatiereserves aangelegd zijn en (2) de betaalbaarstelling van het dividend dat uit die liquidatiereserves geput wordt.
Voor liquidatiereserves die uiterlijk 30 december 2025 aangelegd zijn, geldt dat de bijkomende roerende voorheffing maar 5% zal bedragen als er een periode van vijf jaar verloopt tussen die twee data (afsluitingsdatum van het boekjaar van aanleg en datum van de betaalbaarstelling). Als een termijn van minder dan vijf jaar, maar meer dan drie jaar gehanteerd wordt, dan geldt een tarief van 6,5%. Uitkeringen binnen de sperperiode van drie jaar zijn onderworpen aan een tarief roerende voorheffing van 20%.
Voor liquidatiereserves die pas na 30 december 2025 aangelegd worden, geldt dat de bijkomende roerende voorheffing 9,8% zal bedragen zodra de sperperiode van drie jaar verstreken is. Voor zulke reserves geldt geen afwijkend tarief als ze binnen de sperperiode uitgekeerd worden: zulke dividenduitkeringen worden bijgevolg onderworpen aan het standaardtarief roerende voorheffing van 30%. Een snelle uitkering van liquidatiereserves gaat – door de bijkomende kosten van 10% vennootschapsbelasting – bijgevolg gepaard met een fiscale meerkost ten opzichte van een gewoon dividend dat onderworpen is aan het standaardtarief roerende voorheffing van 30%.
1.2. Schematisch overzicht: uitkering tegen 5%, 6,5% of 9,8%
Concreet. Als we uitgaan van de veronderstelling dat u uw boekjaar (= kalenderjaar) niet gewijzigd heeft sinds het aanleggen van de liquidatiereserves, betekent dit dat u de volgende liquidatiereserves tegen een gunsttarief kunt uitkeren:
|
Boekjaar aanleggen liquidatiereserves |
Uitkering tegen 5% na |
Uitkering tegen 6,5% na |
|
2020 |
31 december 2025 |
N.v.t. |
|
2021 |
31 december 2026 |
N.v.t. |
|
2022 |
31 december 2027 |
31 december 2025 |
|
2023 |
31 december 2028 |
31 december 2026 |
|
2024 |
31 december 2029 |
31 december 2027 |
Liquidatiereserves aangelegd uiterlijk in 2020: 5%. Liquidatiereserves die u uiterlijk in boekjaar 2020 aangelegd heeft, kunt u na 31 december 2025 dus op een fiscaal voordelige manier uitkeren. Voor die liquidatiereserves verstrijkt de sperperiode van vijf jaar (te rekenen vanaf de afsluiting van het boekjaar) immers op 31 december 2025.
Voor de volledigheid merken we op dat het feit dat de liquidatiereserve op 31 december 2025 overgeboekt wordt naar een rekening ‘te betalen dividend – ex liquidatiereserve 31 december 2020’ geen schending van de onaantastbaarheidsvoorwaarde uitmaakt. Het is immers pas bij de goedkeuring door de algemene vergadering (het moment waarop het dividend betaalbaar gesteld wordt), dat de onaantastbaarheidsvoorwaarde niet langer als nageleefd beschouwd wordt (parl. vr. nr. 1553, Van Biesen, vr. & antw. Kamer, 54, nr. 112, p. 203-204). De overboeking naar de post ‘te betalen dividend’ staat de toepassing van het gunsttarief van 5% m.a.w. niet in de weg.
Liquidatiereserves aangelegd uiterlijk in 2022: 6,5%. Om toepassing te kunnen maken van het tarief van 6,5% volstaat het om een sperperiode van drie jaar te respecteren. Aangezien die termijn op 31 december 2025 verstrijkt wat betreft liquidatiereserves die in 2022 aangelegd werden, kunt u die liquidatiereserves op een fiscaal gunstige manier uitkeren bij de resultaatverwerking van 2025.
Ook wat dit betreft geldt dat de overboeking naar een rekening ‘te betalen dividend – ex liquidatiereserve 31 december 2022’ op 31 december 2025 geen schending van de onaantastbaarheidsvoorwaarde uitmaakt.
Tussentijds of interimdividend. Liquidatiereserves die uitgekeerd worden in de vorm van een tussentijds of interimdividend, kunnen – bij een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar – het verlaagde tarief van 6,5% genieten als ze uiterlijk 31 december 2021 aangelegd werden.
2. Vormt het een opportuniteit om liquidatiereserves vervroegd uit te keren?
De afweging of het fiscaal interessant is om – voor al eerder aangelegde liquidatiereserves – niet de volledige wachttermijn van vijf jaar af te wachten (om zo in aanmerking te komen voor het tarief roerende voorheffing van 5%), maar in plaats daarvan na de nieuwe, verkorte termijn van drie jaar over te gaan tot een uitkering tegen 6,5%, is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden.
In de meeste gevallen zal het niet aangewezen zijn om liquidatiereserves versneld uit te keren. Het kostenverschil van 1,5% moet in elke concrete situatie goed afgewogen worden tegen het mogelijke voordeel van een vervroegde uitkering.
Toch kan zo’n vervroegde uitkering in bepaalde situaties wél zinvol zijn:
1. Denk bv. aan het geval waarin de middelen op korte termijn privé nodig zijn en een versnelde uitkering (tegen een tarief roerende voorheffing van 6,5%) het mogelijk maakt om een dure financiering of overbrugging te vermijden. Het fiscaal nadeel wordt dan mogelijk gecompenseerd door de vermeden financieringskosten.
2. Een andere situatie waarin een vervroegde uitkering nuttig kan zijn, is als er een openstaande (renteloze) rekening-courantactief is (een schuld van de bedrijfsleider/aandeelhouder aan de vennootschap), waarvoor een voordeel alle aard aangerekend wordt in hoofde van de bedrijfsleider (5,57% voor 2025). Als de uitkering van de liquidatiereserves aangewend wordt om die rekening-courant aan te zuiveren, kan dat een fiscaal voordelige keuze zijn: het vermijden van het voordeel alle aard kan namelijk een grotere opportuniteit vormen dan de (uitgestelde) toepassing van het tarief van 5%.
Voorbeeld
Het voordeel alle aard voor een rekening-courantactief van € 100.000 bedraagt – rekening houdend met een tarief van 5,57% – € 5.570 op jaarbasis. Op dat belastbaar inkomen zijn sociale bijdragen, personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting verschuldigd. Als de betrokken bedrijfsleider/aandeelhouder belast wordt in de hoogste tariefschijf van 50% personenbelasting (van toepassing vanaf een belastbaar inkomen van € 51.070), dan is – rekening houdend met een sociale bijdrage van 20,5% en een aanvullende gemeentebelasting van 9% – op jaarbasis € 3.380,05 aan sociale bijdragen en personenbelasting verschuldigd op dat voordeel alle aard.
|
|
(Para)fiscale impact |
Berekening |
|
Belastbaar voordeel alle aard |
€ 5.570 |
= € 100.000 × 5,57% |
|
Sociale bijdrage (20,5%) |
€ 923,88 |
= (€ 5.570 – € 923,88 – [€ 5.570 – € 923,88] × 3%) × 20,5% |
|
Personenbelasting (50%) |
€ 2.253,37 |
= (€ 5.570 – € 923,88 – [€ 5.570 – € 923,88] × 3%) × 50% |
|
Aanvullende gemeentebelasting (9%) |
€ 202,80 |
= € 2.253,37 × 9% |
|
Totale (para)fiscale last |
€ 3.380,05 |
= € 923,88 + € 2.253,37 + € 202,80 |
Deze (para)fiscale druk kan vermeden worden door vervroegd een dividend uit de liquidatiereserves te putten. Als bv. een liquidatiereserve van € 106.951,87 vervroegd uitgekeerd wordt (na het verstrijken van de wachttermijn van drie jaar, maar voordat de wachtperiode van vijf jaar voorbij is), tegen een tarief roerende voorheffing van 6,5% of € 6.951,87, dan blijft er een bedrag van € 100.000 over. Als dat bedrag aangewend wordt om de rekening-courant aan te zuiveren, vloeit daaruit voort dat de (para)fiscale last van € 3.380,05 (op jaarbasis) verdwijnt. Omdat de termijn van vijf jaar niet uitgezeten werd, bedraagt de netto-uitkering echter maar € 100.000 in plaats van € 101.604,28 – het bedrag dat netto zou overblijven bij toepassing van het tarief van 5%. Het bedrag dat extra zou overblijven na de uitkering (€ 1.604,28) weegt echter niet op tegen de kosten van de rekening-courant (€ 3.380,05 op jaarbasis).
3. Een vervroegde uitkering kan ook aantrekkelijk zijn om overtollige liquiditeiten uit de vennootschap te halen, zeker als er een overdracht van de vennootschap op de planning staat. In de praktijk komt het regelmatig voor dat de fiscus bezwaar maakt tegen dossiers waarbij overtollige liquide middelen in de vennootschap blijven zitten, waarbij reserves die bij de uitkering belast zouden worden, omgezet worden in een – gunstig belaste of zelfs, rekening houdend met de vrijgestelde schijven, belastingvrije – meerwaarde door die overtollige liquiditeiten en reserves mee te verkopen. De fiscus argumenteert in zo’n context vaak dat het gaat om een abnormale meerwaarde, die niet belastingvrij is, maar als een divers inkomen belast moet worden. Om zulke fiscale discussies en mogelijke extra heffingen te vermijden, kan een tijdige, vervroegde uitkering van die overtollige middelen een veilige keuze zijn.
Als er geen specifieke redenen zijn om de liquidatiereserves vervroegd uit te keren, rijst de vraag wat er met de middelen zal gebeuren in het geval ze wel uitgekeerd worden en welke bestemming ze krijgen als dat niet het geval is. Stel dat het in beide gevallen de bedoeling is om de gelden te investeren in beursgenoteerde aandelen.
We illustreren het fiscaal kader van beide opties (vervroegd uitkeren tegen 6,5% versus behouden tot het einde van de termijn van vijf jaar om vervolgens uit te keren tegen 5%) aan de hand van het volgende voorbeeld:
Voorbeeld
BV X (met boekjaar gelijk aan kalenderjaar) heeft € 106.951,87 aan overtollige liquiditeiten tot haar beschikking, die (op 31 december 2021) in de vorm van liquidatiereserves gereserveerd werden binnen de vennootschap. Er zijn geen andere liquidatiereserves aanwezig.
Familie A, die 100% van de aandelen van deze BV in handen heeft, wil die liquiditeiten beleggen in individuele aandelen van beursgenoteerde bedrijven.
Als familie A de beschikbare liquiditeiten als een dividend uit de vennootschap wil halen, wordt ze geconfronteerd met een fiscale kost van 6,5% roerende voorheffing.
Familie A heeft een beleggingsperspectief van maar twee jaar. Ze wil de beleggingsaandelen na het verstrijken van die periode opnieuw vervreemden; de familie verwacht namelijk dat ze de liquiditeiten dan nodig zal hebben binnen haar privévermogen.
Familie A schat dat de waarde van de aandelen gedurende die periode gemiddeld met 2,5% per jaar zal toenemen. De familie verwacht dat daarnaast dividenden uitgekeerd zullen worden ten belope van gemiddeld 2% van de waarde van de portefeuille.
Als de belegging binnen het vennootschapsvermogen gestructureerd wordt, kan het volledige bedrag van € 106.951,87 belegd worden. Op die belegging worden de volgende inkomstenstroom en waardestijging verwacht:
|
|
Dividend (2%) |
Waarde eindejaar (+ 2,5%) |
|
Jaar 1 |
€ 2.139,04 |
€ 109.625,67 |
|
Jaar 2 |
€ 2.192,51 |
€ 112.366,31 |
Er wordt – over de twee jaar heen – dus een totaal brutodividend van € 4.331,55 en een meerwaarde van € 5.414,44 verwacht. Zowel het dividend als de meerwaarde zijn integraal onderworpen aan de vennootschapsbelasting van 25%.
Op het brutodividend van € 4.331,55 en de meerwaarde van € 5.414,44 (samen € 9.745,99) rust een belastingdruk van 25% of € 2.436,50. Er blijft dus een nettowinst van € 7.309,50 over.
Na het verstrijken van de termijn van twee jaar kan de vennootschap het bedrag van € 106.951,87 uitkeren tegen een tarief roerende voorheffing van 5% (€ 5.347,60), want de wachttermijn van vijf jaar is op dat moment verstreken; op de nettowinst van € 7.309,50 is – per hypothese – een roerende voorheffing van 30% of € 2.192,85 verschuldigd. Van het totale bedrag van € 114.261,36 blijft dus € 106.720,92 over.
Als de middelen voorafgaand aan de investering naar het privévermogen overgeheveld worden, kunnen ze slechts netto geïnvesteerd worden. Gelet op het tarief roerende voorheffing van 6,5% bij een uitkering na drie jaar, bedraagt de verschuldigde roerende voorheffing € 6.951,87 en blijft er een nettodividend van € 100.000 over, dat privé belegd kan worden.
Op de belegging van € 100.000 worden – net als wanneer de investering binnen het vennootschapsvermogen gestructureerd zou worden – de volgende inkomstenstroom (2%) en waardestijging (2,5%) verwacht:
|
|
Dividend (2%) |
Waarde eindejaar (+ 2,5%) |
|
Jaar 1 |
€ 2.000 |
€ 102.500 |
|
Jaar 2 |
€ 2.050 |
€ 105.062,50 |
Het totaal aan dividenden cumuleert – over de twee jaar heen – tot € 4.050; de meerwaarde bedraagt € 5.062,50 (samen € 9.112,50). Als de dividenden integraal onderworpen zijn aan een tarief roerende voorheffing van 30%, zal de nettowaarde van het dividend herleid worden tot € 2.835. Samen met de – per hypothese – belastingvrije meerwaarde van € 5.062,50 blijft er in deze situatie een nettowinst van € 7.897,50 over. Samen met hun oorspronkelijke belegging van € 100.000 houdt familie A € 107.897,50 over binnen haar privévermogen; dat is meer dan in de situatie waarin de aandelen binnen de vennootschap belegd worden en pas na het verstrijken van de termijn van vijf jaar tegen een tarief van 5% uitgekeerd worden.
Ook als de meerwaarde – per hypothese – binnen het privévermogen belast zou worden tegen een tarief van 10%, zou boven op het nettodividend van € 2.835 een nettomeerwaarde van € 4.556,25 overblijven en zou het totale nettobedrag in het privévermogen – dus € 107.391,25 – nog altijd meer bedragen dan het bedrag dat overblijft als er gekozen wordt voor een belegging binnen het vennootschapsvermogen om de twee jaar te overbruggen. Als daarnaast rekening gehouden wordt met de vrijstelling van € 833 voor een eerste schijf aan ontvangen dividenden, neemt de voorkeur voor het vervroegd uit de vennootschap halen van de middelen, met het oog op een privébelegging, nog verder toe.
Let op! Het antwoord op de vraag of het interessanter is om de middelen binnen de vennootschap te behouden, dan wel om ze er vervroegd uit te halen en dan privé te beleggen, zal echter van de concrete factoren afhangen (welke belegging heeft men voor ogen; wat is de fiscale kost – buiten de toepassing van de liquidatiereserve – om middelen uit de vennootschap te halen; wat is het tijdsperspectief, ...) en kan bijgevolg niet veralgemeend beantwoord worden.
Als de vennootschap binnen afzienbare tijd vereffend wordt, is het doorgaans niet gunstig om de reserves vervroegd uit te keren. Bij een vereffening kunnen liquidatiereserves namelijk zonder inhouding van roerende voorheffing uitgekeerd worden. Mocht er toch behoefte zijn aan privémiddelen, dan kan nagegaan worden of die via een rekening-courantactief aan de bedrijfsleider/aandeelhouder ter beschikking gesteld kunnen worden. Afhankelijk van de concrete situatie kan de keuze voor een rekening-courant – inclusief het bijbehorende belastbaar voordeel alle aard – fiscaal voordeliger zijn dan een vervroegde uitkering van de liquidatiereserves.
Let op! Als de conclusie is dat het voordelig is om de liquidatiereserves vervroegd uit te keren, moet er rekening gehouden worden met het FIFO-principe dat altijd van toepassing is op de liquidatiereserves. Dat betekent dat het niet mogelijk is om bv. liquidatiereserves die uiterlijk 31 december 2020 aangelegd werden niet uit te keren, terwijl die van 31 december 2021 wel uitgekeerd worden. Dat vormt een belangrijke beperking binnen de regeling.
3. Aanleggen van liquidatiereserves voor boekjaar 2025: doen of niet?
3.1. Met welke factoren moet u rekening houden?
Opportuniteit? Of het een opportuniteit vormt om liquidatiereserves aan te leggen voor boekjaar 2025, moet van geval tot geval beoordeeld worden. Bij die beoordeling moeten er een aantal factoren in rekening gebracht worden die we hieronder verder toelichten.
3.1.1. Wat is de te bestemmen winst van het boekjaar en welke bestemming is hier al voor voorzien?
Liquidatiereserves worden altijd geput uit de winst van het boekjaar zelf. Of uw vennootschap ruimte heeft om liquidatiereserves aan te leggen, is bijgevolg niet alleen afhankelijk van de omvang van die winst, maar ook van de vraag of er al een bestemming aan die winst toegekend werd; zal een deel van de winst bv. aan de bedrijfsleider toegekend worden in de vorm van een tantième?
3.1.2. Zijn er nog overgedragen verliezen?
Overgedragen verliezen vormen een belangrijk aandachtspunt bij het aanleggen van liquidatiereserves. Op zich is het perfect mogelijk om liquidatiereserves aan te leggen als er overgedragen verliezen op de balans terug te vinden zijn, maar het is belangrijk om te beseffen dat het fiscaal voordeel van de liquidatiereserves slechts genoten kan worden:
- als de onaantastbaarheidsvoorwaarde gerespecteerd wordt (en de verliezen dus niet boekhoudkundig afgezet worden ten opzichte van de liquidatiereserves); én
- als de verliezen – op termijn – weggewerkt worden, zonder aangezuiverd te worden met liquidatiereserves.
3.1.3. Wat is het toekomstperspectief van de vennootschap?
Dat is de belangrijkste – maar vaak ook de moeilijkst in te schatten – factor. Als u een overdracht beschouwt als een realistisch toekomstscenario voor uw vennootschap, moet u rekening houden met het feit dat een overdracht doorgaans via een holdingvennootschap gestructureerd wordt en dat liquidatiereserves geen meerwaarde bieden voor een vennootschap-aandeelhouder – zelfs integendeel. Als u zo’n toekomstperspectief voor ogen heeft, kunt u wel overwegen om liquidatiereserves aan te leggen a rato van de winsten die u plant – voorafgaand aan de overdracht – uit de vennootschap te extraheren. Als er een tijdsbestek van vijf jaar verloopt tussen de boeking van de liquidatiereserve en de uitkering ervan, bedraagt de fiscale kost immers maar 18%. Als u echter toepassing kunt maken van het VVPR-bis-regime, is de meerwaarde van de liquidatiereserve (bedoeld voor uitkeringen voorafgaand aan de overdracht) beperkt of onbestaand, aangezien u op grond van de VVPR-bis-regeling hoe dan ook het tarief van 18% kunt genieten.
Combinatie van elementen. Op grond van een combinatie van de hierboven besproken elementen zal beoordeeld kunnen worden of het in de gegeven omstandigheden een opportuniteit vormt om liquidatiereserves aan te leggen voor boekjaar 2025.