Programmawet van 18 juli 2025: nieuwe regels m.b.t. de liquidatiereserve bekendgemaakt
De programmawet, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2025, wijzigt het fiscale regime van de zgn. liquidatiereserves.
-
Wettelijke interestvoet bij betalingsachterstand b2b blijft voor de tweede helft van 2026 10,5%
De interestvoet die u in de tweede helft van 2026 kunt aanrekenen als u zaken doet met andere ondernemers die uw facturen te laat betalen, is bekend.
-
Werken rond uw privéwoning aan 6% btw?
In principe mag een aannemer aan 6% btw factureren als hij zgn. werken in onroerende staat uitvoert aan een pand dat minstens 10 jaar oud is en dat na de werken hoofdzakelijk voor privédoeleinden gebruikt wordt.
-
Beleggen met uw vennootschap of privé: wat levert netto het meeste op?
Uw vennootschap heeft bv. € 20.000 op de bankrekening staan die u zou willen beleggen in aandelen. Wat doet u dan het beste: dat bedrag nu als een dividend uitkeren en privé beleggen of de belegging door uw vennootschap laten doen en het geld later naar u privé halen?
Het fiscaal regime van de zgn. liquidatiereserves biedt aan KMO-vennootschappen sinds enige jaren de mogelijkheid om tegen een gunstig belastingtarief geld uit de vennootschap te halen.
Er moet dan eerst op de hiervoor gereserveerde winst door de vennootschap een anticipatieve heffing van 10% betaald worden.
Na een bepaalde wachttermijn kan de liquidatiereserve op een fiscaal voordelige manier als dividend worden uitgekeerd tegen een veel lagere roerende voorheffing dan de normale 30%.
De programmawet brengt de volgende wijzigingen aan sinds 29 juli 2025, tenzij hierna anders vermeld:
- Kortere wachttermijn: de minimale wachttijd voor het uitkeren van een liquidatiereserve daalt van 5 naar 3 jaar.
- Hoger tarief roerende voorheffing: op liquidatiereserves aangelegd vanaf 1 januari 2026 stijgt het tarief van de roerende voorheffing bij uitkering van 5% naar 6,5%.
- Keuzemogelijkheid voor oudere reserves: voor liquidatiereserves die vóór 1 januari 2026 zijn aangelegd, kan men kiezen: uitkering na 3 jaar tegen 6,5% roerende voorheffing, of na 5 jaar tegen het oude tarief van 5%.
Wordt de wachttermijn niet gerespecteerd en wordt de reserve binnen de 3 jaar uitgekeerd (i.p.v. voorheen binnen de 5 jaar), dan geldt het standaardtarief van 30% roerende voorheffing.