Maximumaantal uren studentenarbeid voor RSZ opgetrokken naar 600 sinds 01.01.2023
Tot eind 2022 kon een student maximum 475 uren per jaar werken (via studentenovereenkomst) zonder daarop de normale RSZ-bijdragen te moeten betalen.
-
Meerwaardebelasting: hoe wordt er bepaald of u een belastbare meerwaarde heeft gerealiseerd?
Sinds 1 januari 2026 is er, zoals eerder gecommuniceerd, een belasting op meerwaarden op financiële vaste activa in uw privévermogen, zoals aandelen. Belegt u als particulier op een gewone, niet beroepsmatige manier, dan wordt de meerwaarde in principe belast aan 10%. Hoe wordt dan bekeken of u effectief een belastbare meerwaarde heeft gerealiseerd?
-
Btw-vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen: omzetdrempel € 25.000
Is uw jaaromzet exclusief btw niet hoger dan € 25.000, dan kan u in principe kiezen voor de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen. U moet dan geen btw aanrekenen op facturen aan uw klanten en dus ook geen periodieke btw-aangiftes meer indienen.
-
Tweedehandsauto aankopen met uw vennootschap
Zoals u wellicht weet, zijn de autokosten van een auto die niet 100% emissievrij is, zoals een hybride auto of een auto met een verbrandingsmotor, die u in 2026 met uw vennootschap aankoopt, niet langer aftrekbaar voor uw vennootschap. Maar wat als u een tweedehandsauto aankoopt die al vóór 2026 in gebruik was?
Tot eind 2022 kon een student maximum 475 uren per jaar werken (via studentenovereenkomst) zonder daarop de normale RSZ-bijdragen te moeten betalen. De student betaalt dan slechts een minimale solidariteitsbijdrage van 2,71% op het brutoloon. Ook zijn/haar werkgever zal trouwens niet de normale RSZ-bijdragen betalen, maar enkel een solidariteitsbijdrage van 5,42%.
Sinds 01.01.2023 is dat maximumaantal uren voor de RSZ opgetrokken naar 600 uren per jaar. Of uw kind fiscaal ten laste blijft heeft niets met dat maximumaantal uren te maken. Daarvoor wordt gekeken naar zijn/haar zgn. eigen netto bestaansmiddelen. Om uw kind nog fiscaal ten laste te houden, mag hij/zij in 2023 niet meer dan € 3.820 eigen netto bestaansmiddelen verdienen (in 2022 was dat nog € 3.490). Voor een alleenstaande ouder gaat het om een bedrag van € 5.520 (in 2022 € 5.040).